In vergelijking
met gewone warmwater-verwarmingssystemen zoals radiatoren of konvektoren
geeft de vloerverwarming een gelijkmatige, behaaglijke warmte
over het gehele vloeroppervlak.

Een groter en meer verspreid verwarmend oppervlak bij een lagere
warmte-afgiftetemperatuur schept een behaaglijkheidsgevoel. De
kamertemperatuur wordt vaak als hoger ervaren.
Het temperatuur verschil tussen vloer en plafond bedraagt, gemeten
op ca. 20cm boven de vloer en ca. 20cm onder het plafond, bij
vloerverwarming slechts 1 à 2 ºC. Bij verwarming door
middel van radiatoren en convectoren zijn verschillen van 4 –
7 ºC mogelijk. Vloerverwarming benadert het ideale verwarmingssysteem,
echter ter plaatse van koudevlakken (glas, gevels, vides en dergelijke)
is de situatie minder ideaal.
Op plaatsen waar meer kou wordt verwacht en sprake
kan zijn van een stroming van koude lucht, zal een extra radiator
moeten worden geplaatst , of kunnen de vloerverwarmingsleidingen
dichter op elkaar worden gelegd. Dit noemt men een randzone. In
een randzone wordt in de vloer een zone gecreëerd waar de
oppervlakte temperatuur een hogere waarde heeft.